Precies een halve eeuw geleden vond in België de Wereld Expo plaats, en dat zal men in het land weten ook: zowel in de populaire media als in academische kringen wordt deze gebeurtenis herdacht, ontleed en geduid.
Expo ’58 was dan ook een universele tentoonstelling die om verschillende redenen heel wat belang had. In de eerste plaats was het de eerste erkende Wereld Expo na de Tweede Wereldoorlog, die werd voorafgegaan door een periode van – vooral Europese – wederopbouw. Ze werd bovendien georganiseerd in een socio-economische en politieke overgangsperiode: de Koude Oorlog waarde over het politieke toneel, een aantal landen gooide het koloniale juk van zich af, de massaconsumptie vond ingang in het merendeel van de westerse woonkamers, in de nieuwe atoom- en ruimtevaarttechnologieën werden doorbraken geforceerd en internationale verbanden als de VN, NAVO en EEG werden gevormd.
Radicale uitgangspunten
Binnen dat ruimere kader, meer specifiek: in het kleine paviljoen dat de firma Philips op het Brusselse expoterrein vlak naast dat van Nederland liet optrekken, vond iets bijzonders plaats. In de schaduw van de grandioze paviljoenen van landen als Frankrijk, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, was het bescheiden Philips-paviljoen toch een van de meest bezochte. Dat kwam niet in de laatste plaats door de zeer moderne bouwstijl.
Het technologiebedrijf uit Eindhoven wilde zichzelf op deze wijze promoten en had daarom met Le Corbusier een architect aangetrokken die op dat ogenblik reeds naam en faam had verworven als voortrekker van het modernistische idioom. Philips wilde niet zomaar een uitstalraam voor haar nieuwste producten, maar dacht aan een versmelting van architectuur, beeld en geluid. De Fransman drukte prompt bij de Nederlanders zijn wil door om zijn landgenoot en avant-gardecomponist Edgar Varèse te betrekken in de onderneming.
Het is algemeen bekend dat het management van Philips dit in eerste instantie helemaal niet zag zitten – men dacht eerder aan de meer conventionele Benjamin Britten –, maar Le Corbusier kreeg uiteindelijk toch zijn zin. Terwijl in zijn kantoren zijn medewerker Iannis Xenakis het architecturale luik vormgaf, trok Varèse naar de laboratoria in Eindhoven om zijn veelbesproken ‘Poème électronique’ op te nemen.
Dat bleek geen sinecure, temeer omdat niet alle ingenieurs wilden meegaan in de radicale, formele uitgangspunten van de componist. Varèse was namelijk van plan om geluiden te gebruiken die niet uit traditionele instrumenten voortkwamen. Dat was een interesse die hij al langer had, maar nu met de opnametechnieken en elektronica van Philips ten volste kon ontplooien. Daarnaast wilde hij een ruimtelijke dimensie toevoegen aan de muziek – ook iets dat hij al eerder had willen beproeven.
Bevreemdend spel met geluid
Xenakis zat wat dit laatste betreft volledig op zijn lijn, en hoewel het ontwerp voor het paviljoen omwille van constructiemoeilijkheden ietwat gecompromitteerd werd, bleef de vorm uiteindelijk zeer goed toegespitst op de ideeën die hij deelde met Varèse. De ruimtelijkheid werd in het geluid geïnduceerd en vice versa door het plaatsen van niet minder dan vierhonderd luidsprekers over heel het binnenzaaltje, waar het bevreemdende spel van gevonden geluiden, vervormde stemopnames, elektronische klanken en onwerkelijk rumoer acht minuten lang haast letterlijk een gestructureerde rondgang maakte.
Daarbij had Le Corbusier de filmmaker en cinematograaf Philippe Agostini gevraagd om beeldmateriaal bij elkaar te sprokkelen dat het muziekstuk visueel moest begeleiden. Het ging om kort gemonteerde, thematische reeksen die verleden, heden en toekomst van het mensdom in zoveel mogelijk facetten illustreerden en waarbij een zekere sfeer werd gesuggereerd door middel van kleurenprojecties.
Het moet een imponerende totaalervaring zijn geweest voor de miljoenen bezoekers. Iedereen nam het Wagneriaanse woord Gesammtkunstwerk in de mond en men durfde zelfs te stellen dat het veel verder en dieper ging dan hetgeen de Duitse componist zich daarbij voorstelde. De vele kermisattracties die deel uitmaakten van de Expo waren, zoals te verwachten viel, bijzonder populair, maar dat dit staaltje avant-gardistisch lef zoveel aandacht en waardering ten deel zou vallen had niemand – en zeker de mensen van Philips niet – durven dromen.
Uiteraard waren er op muzikaal vlak belangrijke precedenten; deze devalueren Varèses werk echter niet, ze omkaderen het juist. Mede door de klankpoëzie en het bruïtisme van de dadaïsten en futuristen – onder wie Ball, Russolo, Huelsenbeck, Schwitters, Tzara – was het korset van het harmonieuze, door klassieke instrumenten en stem geproduceerde geluid reeds in de eerste twintig jaren van de twintigste eeuw losgetrokken. Dit allesbehalve organische lichaam werd in de volgende decennia verder ontkleed door mensen als George Antheil, Percy Grainger, LaMonte Young, John Cage – met zijn vroege werk – en de toonkunstenaars geassocieerd met de musique concrète in Frankrijk – Pierre Schaeffer en Pierre Henry – en de Duitse tegenhangers als Herbert Eimert en Karlheinz Stockhausen.
Verder nam de experimenteerdrift een hoge vlucht in het tijdvak waarin het Philips-paviljoen en de ‘Poème électronique’ hun plaats hadden. Het muzikale veld werd opengegooid en gladgestreken: geluiden konden nu ongebonden van overal worden (op)genomen. Bovendien werden de mogelijkheden van nieuwe geluidsapparatuur volop geëxploreerd, zowel wat betreft productie, uitvoering als opname, waarbij de wetenschap haar intrede deed in de muziek.
Doosjes van Pandora
Fast forward naar het heden. Inmiddels kan gerust worden beweerd dat de sporen van wat het Philips-paviljoen artistiek vertegenwoordigde, nog steeds duidelijk te zien zijn in het muzikale veld. Het feitelijke gebouwtje werd na de Expo letterlijk opgeblazen, en daarbij ook zijn symbolische betekenis. De brokstukken reiken echter vijftig jaren verder – in de vorm van field recordings, elektronica en elektro-akoestiek, circuit bending, sampling, plunderphonics, geluidskunsten en muzikale abstractie, kapotte muziek en noise, geluidsmanipulatie, enzovoort. Een wijds en avontuurlijk compendium dus.
Die hele geïntegreerde happening in dat tentachtige bouwsel op de wereldtentoonstelling van 1958 was waarschijnlijk één van de vele, minuscule doosjes van Pandora die in die periode van de muziek- en algemene geschiedenis werden geopend. De inhoud vloeide rijkelijk over in hedendaagse deejaysets met Ableton Live in Dolby Surround, in bezwerende elektronische drones en soundscapes, in heftige breakcore-collages van gejat geluid, in de esoterische traagheid van vervormde natuuropnames, in de jouïssance die wordt gevonden in het manipuleren van een klassiek instrumentarium, in het centraal plaatsen van toevalligheden en foutjes, in het vrijgeven van het productieproces eerder dan van het auditieve resultaat, in psychedelische improvisatiesessies, … .
Net zoals het perceel waarop de architectuur van Xenakis rustte achteraf werd geëffend, zo is ook het terrein van de muziek platgelegd. Er zijn geen bakens of hekken meer, maar wel nog glooiinkjes hier en daar. Artiesten die zich heden ten dage wensen in te perken binnen de bepalingen van een genre, zetten hun creativiteit namelijk buitenspel. Ze bestaan uiteraard, maar de tijd zal leren dat de naam van het genre overleeft en niet die van de artiest. Sla er eender welk muziektijdschrift op na en turf eens de uitdrukkingen als ‘genreoverschrijdend’, ‘grensverleggend’, ‘bakens verzettend’ bij besprekingen van relevante releases. Dat zijn natuurlijk journalistieke clichés, want er valt al lang niets meer te overschrijden, te verleggen of te verzetten. Dat maakt ons evenwel geen doemdenkers, want het territorium is weids en open genoeg om blijvend interessante trips te maken.
Daarbij komt – tot slot – dat we stilaan een eind kunnen maken aan de debatten omtrent bovenstroom en ondergrond. Ook deze domeinen vloeien veelvuldig in elkaar over. Dat belet niet dat er nog gestreden wordt om de noodzaak van een zeker cultureel elitarisme. Feit is echter dat onder meer het wereldwijde web de toegang tot de meest diverse uitingsvormen substantieel heeft vergroot. De rol van nieuwe media en internet is vergelijkbaar met een virtuele Wereld Expo, waar je je kunt amuseren, verdiepen in een aantal aangereikte denkbeelden, consumeren en nieuwsgierig binnenstappen in een vooruitstrevend, multimediaal totaalspektakel. Allicht speelde Richie Valens op de radio, maar velen prijsden zich ginds gelukkig kennis gemaakt te hebben met Edgar Varèse en zijn ‘Poème électronique’.